27 augustus 2026 · Koen de Snoo

De agora draait nu op advertenties

Er was een tijd dat het dorpsplein van iedereen was. Je kwam er de bakker tegen, de dominee en de dwaas. Je hoorde dingen die je niet had gezocht. Dat plein was rommelig, traag en volstrekt onvermijdelijk. Dat plein is verhuisd. Het staat nu in Californië, het is gratis en het weet precies wat u gisteravond hebt gegoogeld.

Vorige week riep een opiniestuk in Binnenlands Bestuur het openbaar bestuur en de journalistiek op om de publieke sfeer te heroveren door big tech te reguleren. Een sympathiek idee. Ook een verraderlijk woord, dat ‘heroveren’. Het suggereert dat iemand ons het plein heeft afgepakt. Dat we zijn overrompeld, bestormd, bezet. De waarheid is ongemakkelijker. We zijn niet verjaagd. We zijn verhuisd. Vrijwillig, met een duim omhoog.

De filosoof Jürgen Habermas noemde dat gemeenschappelijke plein de publieke sfeer: de ruimte waarin vreemden met elkaar praten over wat ons allen aangaat. Hij zag haar ontstaan in achttiende-eeuwse koffiehuizen, waar de krant openlag en de standen even door elkaar heen praatten. Geen paradijs. Maar wel een plek waar het algemeen belang kon worden uitgevonden, door mensen die elkaar in de ogen keken.

Hannah Arendt zei het scherper. We bestaan pas echt als we samen verschijnen. Niet als profiel, maar als persoon. In het volle licht van anderen die ons kunnen tegenspreken. En daar wringt het. Op het nieuwe plein verschijnen we niet samen. We verschijnen ieder in ons eigen zaaltje, met eigen behang, eigen muziek, eigen feiten. De architect van dat zaaltje verdient aan onze verontwaardiging. Boosheid blijft nu eenmaal langer plakken dan mildheid. En wat plakt, verkoopt.

Waarom verhuisden we zo gewillig? Omdat het plein ongemakkelijk is en het zaaltje ons vleit. Het scherm is geen raam waardoor we de wereld zien. Het is een spiegel waarin we onszelf zien, net iets mooier. We zijn allemaal een beetje Narcissus, die verdronk in zijn eigen weerkaatsing omdat die zoveel prettiger was dan het gezelschap. De echo troost. De tegenspraak vermoeit.

Denk aan de oude gemeenschappelijke weide, de meent, waarop ieder dorp zijn koeien liet grazen. Ecoloog Garrett Hardin beschreef hoe zo’n weide onherroepelijk kaal wordt als niemand haar beheert. Ieder voor zich en gras voor niemand. Onze aandacht is precies zo’n weide geworden. Volop begraasd, nooit bemest. De herders staan aan de rand, tellen de koeien en sturen de rekening naar ons humeur.

Moet de overheid dan ingrijpen? Ja. Maar niet als ridder die te paard het plein terugverovert. Eerder als een geduldige rentmeester. Een landschap laat zich niet bevelen. Het laat zich verzorgen. En hier komt de bestuurskundige in mij overeind. Een systeem verandert niet door de spelers streng toe te spreken, maar door het speelveld te kantelen. Zolang aandacht het verdienmodel is, blijft verontwaardiging de oogst. Verander wat beloond wordt en je verandert vanzelf wat er groeit. Belast de datahonger. Verplicht openheid over wat ons wordt voorgeschoteld en waarom. Bouw een publieke digitale ruimte die niet van een aandeelhouder is. Een bibliotheek naast de gokhal. Dat is minder heroïsch dan ‘heroveren’. Maar rentmeesterschap is zelden heroïsch. Het is opstaan, water geven en wachten.

En de journalistiek? Die is geen slachtoffer van het algoritme, hoe graag ze dat ook gelooft. Ze is medebewoner van hetzelfde plein. Elke kop die op de klik mikt in plaats van op de kern, is weer een hap van diezelfde kale weide. De oproep tot openheid over de eigen waarden is dan ook geen public relations. Het is opnieuw vertrouwen planten. Traag werk. Wortelwerk. Onder de grond, waar niemand het ziet en precies daarom zo makkelijk verwaarloosd.

Somber? Toch niet. Weides herstellen sneller dan je denkt, als je ze even met rust laat en de bodem voedt. Alexis de Tocqueville zag het al in 1835. De kracht van een democratie zit niet in haar leiders, maar in haar verenigingen. De koffieclubs, de buurtapp, het schoolplein bij het uitgaan. Al die kleine pleinen die nog wél van ons zijn.

Dus voordat u vanavond weer in uw eigen zaaltje verdwijnt, met de muziek die naadloos bij uw humeur past: bel eens iemand die het hartgrondig met u oneens is. Ga ergens heen waar u de bakker, de dominee én de dwaas kunt tegenkomen. Ongemakkelijk, ja. Maar daar groeit iets. Het plein is niet gestolen. Het staat er nog. Het wacht alleen tot wij weer komen.