Ik ken ze allebei. Roel Bekker en Mark Frequin, oud-collega’s uit de jaren dat ik zelf in het openbaar bestuur werkte. Twee mannen die Den Haag van binnenuit kennen zoals weinigen en die er nooit cynisch over zijn geworden. Dat laatste is een prestatie op zich. Vorige week liepen ze over het Lange Voorhout, voor een gesprek met Binnenlands Bestuur, en deden ze een voorstel dat mij uit het hart gegrepen is. Wilt u een kleinere overheid? Prima. Maar maak dan eerst eens minder beleid.
Mark maakte er zelf de grap over. “Zorg je er wel voor dat het niet teveel lijkt op Statler en Waldorf?”, zei hij na afloop. De twee oude heren op het balkon in The Muppet Show, die overal commentaar op hebben en nergens meer verantwoordelijk voor zijn. Typisch Mark: liever de spot met zichzelf dan met een ander. Maar wie hem en Roel kent, hoort geen gemopper. Je hoort twee mensen die niets meer hoeven te bewijzen en juist daarom vrijuit kunnen zeggen wat waar is.
En wat ze zeggen, deel ik. Niet uit oude loyaliteit, maar omdat ik het in mijn eigen werk keer op keer bevestigd zie. De coalitie wil flink besparen op het ambtenarenapparaat. Een efficiencykorting, een structurele bezuiniging van een miljard vanaf 2030 en op Prinsjesdag kwam daar nog wat bovenop. Alles onder de vlag van een ‘slagvaardige overheid’. Het klinkt daadkrachtig. Het is ook volkomen logisch. En het mist, zeggen Roel en Mark, de kern. Want het probleem is niet dat we te veel ambtenaren hebben. Het probleem is dat we te veel doen.
Roel weet waarover hij praat. Twintig jaar geleden mocht hij zelf de rijksdienst afslanken. Vijftienduizend banen eraf, luidde de belofte. Het lukte niet en hij hield er de bijnaam ‘de slager van het Binnenhof’ aan over. Een bijnaam die harder klinkt dan de man is. Want juist die ervaring maakte hem wijzer dan zijn opdrachtgevers. Hij ontdekte dat het vlees taaier was dan gedacht en dat je nooit in de mensen moet snijden zonder eerst in het werk te snijden. Doe je dat wel, dan snijd je in je eigen vingers. Ik heb hem dat geduldig zien uitleggen, jaar na jaar, aan mensen die liever de kaasschaaf pakten.
Waarom kunnen we niet stoppen? Blaise Pascal wist het al in de zeventiende eeuw. Al het ongeluk van de mens, schreef hij, komt voort uit één ding: dat hij niet rustig in een kamer kan blijven zitten. Wij zijn doeners. Stilzitten voelt als falen. Voor een bestuurder geldt dat dubbel. Een minister die zegt “ik laat dit even zoals het is”, oogst geen applaus. Een minister die een nota, een taskforce en een meldpunt aankondigt, staat in het nieuws. Handelen is zichtbaar. Nalaten is dat zelden.
Zo groeit een apparaat vanzelf. De socioloog Cyril Northcote Parkinson beschreef het al in 1955, half spottend, half bloedserieus. Werk zet uit tot het de beschikbare tijd vult. Een organisatie groeit, of er nu meer te doen valt of niet. En die groei kruipt naar de verkeerde plekken. Mark ziet het scherp: de aanwas zit niet in de handen die het echte werk doen, maar in de lagen die toezicht houden, verantwoorden, controleren of de controle wel klopt. Wantrouwen dat zichzelf voedt. Elke regel roept om een volgende die op de eerste toeziet.
De vraag die dat patroon doorbreekt, is ook de meest onuitspreekbare. Mark stelt hem toch, al jaren, met dezelfde montere volharding. Wat gaan we dan niet meer doen? Vijf woorden. En bijna niemand durft ze te beantwoorden. Want achter elke overbodige taak zit ooit een goede bedoeling. Een incident dat nooit meer mocht gebeuren. Beleid is gestold verlangen naar controle. Het weghalen ervan voelt niet als opruimen, maar als loslaten. En loslaten is eng.
Toch is er een oude traditie die het nietsdoen niet als luiheid ziet, maar als kunst. In de Tao Te Ching staat een begrip dat ‘wu wei’ heet. Meestal vertaald als niet-handelen, maar dat is te plat. Het betekent: niet forceren. Meebewegen met wat wil groeien en je hand terugtrekken waar je toevoeging alleen in de weg zit. De beste bestuurder, schrijft Laozi, is er een van wie de mensen nauwelijks weten dat hij bestaat. Denk aan een goede tuinman. Die plant niet eindeloos bij. Hij snoeit. Hij haalt de dode takken weg en de waterlopers die al het sap opeisen en niets teruggeven. Niet uit gemakzucht, maar omdat de boom pas dan zijn kracht kan richten. Snoeien is de moeilijkste vorm van zorg. Je moet weten wat je durft weg te halen. Daar ligt de troost. Minder beleid is geen bezuiniging op ambitie. Het is ambitie die eindelijk keuzes maakt. Een overheid die durft te snoeien, wordt niet kaler. Ze wordt sterker, omdat haar sap weer naar de takken stroomt die er werkelijk toe doen.
Dus voordat de volgende nota het licht ziet, één vraag aan de tekentafel. Niet: wat voegen we toe? Maar: wat mag hier weg?
Roel en Mark zitten misschien op dat balkon. Maar ik ken ze. Het zijn geen mopperaars. Het zijn twee tuinlieden, die weten van schoffelen en snoeien.